Historie

 

 

De Geschiedenis en Ontwikkeling 

van Koreaanse Martiaal Arts

Oude Korea.

Het Koreaanse schiereiland werd voor het eerst bewoond door de Tungusic stam uit centraal Azië rond het jaar 3000 voor Christus. Hun cultuur was Paleolithisch (stenen tijdperk), en hun religie animistisch

(het geloof dat alles wat leeft)een geest heeft die onafhankelijk is van het lichaam).  

De legendarische figuur Tangun heeft rond het jaar 2333 voor Christus het eerste Koreaanse koning- krijk gevormd. In 108 voor Christus werd brons geïntroduceerd door de chinezen, die kolonies stichtten, en deze hebben superieure landbouw  technieken  geïntroduceerd. Door deze vooruitgang in de beschaving en de eenwording van diverse stammen, werden er 3 Koreaanse staten gevormd.

Dit was het begin van de periode bekend als de Periode van; Drie Koninkrijken in de koreaanse geschiedenis. Deze waren, Paekche, opgericht in 37 voor Christus, Koguryo, opgericht in 37 voor Christus en Silla, opgericht in 57 voor Christus. 

Drie Koninkrijken:

Koguryo, de grootste koninkrijk, omvatte bijna het hele Koreaanse schiereiland, zuidwaarts vanaf de Chinese grens. Silla en Paekche waren beide kleine koninkrijken en waren te vinden aan de zuidelijke punt van het schiereiland. Omdat zij de grootste was, in zowel omtrek als in militaire macht, was Koguryo de eerste die agressie uitvoerde tegen haar kleinere en minder sterke buren in het zuiden. Tijdens deze periode vochten Paekche en Silla niet alleen tegen het grotere Koguryo, maar ook tegen elkaar. Silla, in de zuidoost hoek van het schiereiland, keerde zich in deze periode naar de Tang

 dynastie in China voor hulp. De uit Silla afkomstige gezant aan het hof van de Tang was Kim Chunch Ue. Hij zorgde voor een militair verbond met de chinezen om te vechten tegen de strijdkrachten van Koguryo en Paekche. 

Er was een akkoord gesloten dat als de gecombineerde legers van Tangen Silla en Koguryo konden verslaan, het koninkrijk dan opgedeeld zou worden.

Het gebied ten zuiden van Pyong- yang was voor Silla, terwijl al de gebieden ten noorden daarvan voor China zijn. Maar wanneer zij van Paekche  zouden overwinnen, dan ging het hele bezit naar Silla.

In 660 versloegen de gecombineerde strijdkrachten van China en Silla het leger van Paekche. 

Na de overwinning negeerde de Tang regering zijn overeenkomst en stichtte 5 militaire bases in Paekche. De Tang regering probeerde ook in deze tijd pro Chinese enclaves binnen Silla op te zetten. Deze ontwikkeling maakte de regering in Silla boos, maar voor zolang Koguryo een bedreiging vormde in het noorden konden zij het zich niet veroorloven, een oorlog te beginnen tegen de Tangs krachten. Zowel de noordelijke invasie van Koguryo door de Tang, als de zuidelijke invasie door de legermacht van Silla waren minder succesvol dan eerdere militaire ondernemingen.

Yon, Kae So Mum, de koning van Koguryo stierf in deze kritieke periode, terwijl hij zijn broer en twee zonen achterliet in gevecht om de macht. Door de interne strijd, als gevolg van regering conflicten en voortdurende oorlog, viel de Koguryoregering voor het Tangleger,onder leiding van Li Chi, en de Silla krachten, onder Kim In Mum.

Met Koguryo niet langer in de weg, begonnen Silla en China een oorlog. Dit bracht de volken van de 3 staten (Silla, Paekche en Koguryo) samen en samen versloegen zij het Chinese leger. Door deze strijd werden de landstreken ten zuiden van de rivier Taedong  samengebracht onder een regering. Tijdens deze inheemse oorlogen verschenen de eerste formele groepen van Koreaanse martial arts beoefenaars.

Deze stonden bekend als de Hwarang. Deze aristocratische groep strijders zou verantwoordelijk zijn voor de een wording van de Drie Koninkrijken  van Korea.

De Hwarang

De Hwarang (bloeiende jeugd) strijders werden het eerst bedacht door Koning Chinhung van Silla in 576 a.d. Hoewel zijn koninkrijk een leger had, waren de soldaten niet van uitzonderlijke aard; waarom dan ook, door voortdurende conflicten, zijn land Koguryo en Paekche niet kon verslaan.

Daarom probeerde hij een groep van jonge, talentvolle edelen te organiseren die buitengewoon loyaal aan de troon zouden zijn en zij zouden intensief getraind worden in alle vormen van oorlogvoering en dan met succes de strijd aangaan met Koguryo, Paekche en de Chinese Tang dynastie. Het probleem was echter, hoe te kiezen  wie wel en wie niet in aanmerking zouden komen. Degene die gekozen waren, werden de Hwarang genoemd en waren aldus begeleid volgens een gedragslijn van ethica voorschreven door de verheven boeddhistische monnik Wongwang.

Dit stond bekend als de gedragslijn van Hwarang,welke geformuleerd was als:

1) Dient de Koning met loyaliteit, 2)  Wees gehoorzaam zijn aan uw ouders, 3)  Eert uw vrienden, 4)  Trekt nooit terug in de strijd, 5)  Doodt terecht.  

Men geloofde dat wanneer jonge mannen bijeengebracht werden  in groepen en opgeleid in boeddhisme, eer en de kunsten, de getalenteerde mannen onder hen zouden uitblinken.

Op dit punt, werden twee mooie hof dames (Nammo en Chunjong)  geselecteerd om mannen om zich heen te trekken. Enkele honderden mannen verzamelden zich inderdaad in hun aanwezigheid.

Chunjong werd jaloers op Nammo, vergiftigde haar wijn en vermoorde haar door haar in de rivier te gooien. Chunjong werd daarna door het koninklijke hof ter dood gebracht en de groep mannen die hen omringde werd ontbonden. Koning Chinhungs  volgende methode was om knappe jonge mannen van adellijke afkomst uit te kiezen. Sommigen van hen waren slechts 12 jaar oud.

Zij werden gekleed in de meest verfijnde kleding en hun gezichten aantrekkelijk opgemaakt met,  zorg gekozen, make up. Ze waren zeer intensief opgeleid in Boeddhisme,poëzie en zang, want men dacht dat wie uitblonk in deze bezigheden, ook bekwame strijders zouden worden. Aldus werd er een aantal van hen aanbevolen aan het Hwarang Hof.

Deze gekozen individuen, nu bekend als de Hwarang, werden getraind in vele verschillende vormen van martial gevechts- technieken en gingen door met hun studies in Boeddhisme en de kunsten.

Het trainingsprogramma voor de Hwarang krijgers omvatte het beklimmen van ruwe bergen en zwemmen in snelstromende rivieren tijdens de koudste maanden van het jaar. 

Zij trainden hun lichamen  in vele vormen van man tegen man gevechten, inclusief wapens zoals zwaard, staaf, haak en pijl en boog. De Hwarang hebben, naar men denkt, een ongewapende vorm van martial art ontwikkeld, Su Bak genaamd. Als resultaat van hun intensive training van rennen in de  bergen, waren  de beenspieren sterk ontwikkeld. Hier bijlegden zij de nadruk op trap technieken in hun systeem van man tegen man gevecht. De Hwarang kwamen tot verval tegen het eind van de zevende eeuw  tot zij uiteindelijk zo goed als ophielden te bestaan.

Ze kwamen meer bekend te staan als een groep gespecialiseerd in genezingen,Boeddhistische filosofie en poëzie dan als strijders.

Su Bak: is de eerste, naar men geloofd  martial art die in Korea bestond. Koreaanse historici hebben het vaak geplaatst in de tijd van de legen- darische Koning Tangun (2333 voor Christus). Er is echter geen historische bewijs hiervoor.Er zijn in Korea historische documenten over het bestaan van Su-Bak in de 4e eeuw a.d. Schilderingen in de tombe van Kak Je, te Koguryo, beelden 2 beoefenaars van Su Bak uit. 

Het is moeilijk de werkelijke gevechts-technieken te ontcijferen omdat de schilderijen erg vaag zijn.

Men denkt dat Su Bak werd beoefend door de militairen tijdens de late  periode van de Drie Koninkrijken. Su Bak werd beoefend als een aanvulling op de bewapende training die gebruikt werd door de militairen. Daarom stelde de Su Bak gevechtstechnieken  zich in, op snel dodende methoden van aanvallen. Tijdens de late van Drie Koninkrijken periode begonnen beoefenaars van Su Bak te verdwijnen, zodat deze kunst oploste. 

YOO SOOL.

Een Koreaanse martial art die zich in deze periode ontwikkelde was Yoo Sool. Yoo Sool was een zachtere manier van worstelen, welke, zoals sommige historici geloven, de grondslag was waarop het Japanse Jujutsu  is gebaseerd. Met de ge- boorte van Yoo- Sool, waren er twee verschillende ideeën van martial arts te vinden op het Koreaanse schiereiland. Dit waren de harde lineaire aanvallende methoden van Su Bak en de zachtere meer manipulatieve verdediging technieken van Yoo Sool.

Het was ook in deze tijd dat Su bak bekend kwam te staan als Tae Kyon. 

Tae Kyon.

Tae Kyon werd geboren op een tijd dat martial arts, in zijn geheel, tot een snel verval kwam op het nu verenigde Koreaanse schiereiland. Als een opvolger van Su Bak, was Tae Kyon een harde stijl en agressieve martial art. Toen Korea vredig werd, was er weinig nut in het beoefenen ervan door de gewone man. Na het verenigen van de Drie Koninkrijken werd de Silla - dynastie (A.D.688 -935) een hoogst gecentraliseerde Boeddhistische staat, waar de fijne kunsten opbloeiden en de martial arts kwamen tot en snel verval. Yoo Sool verviel bijna net zo snel als het zich had ontwikkeld en tegen het einde van de 7e eeuw was het verdwenen. Tae Ky, daartegen, was het enige overlevende vecht stelsel met een schakel naar de oude kunst van Su Bak. De Silla Dynastie viel in 935.

Het koninkrijk werd omvergeworpen door een rebellen regering, welke de Koryo Dynastie werd (935-1392). Hoewel er binnen de grenzen van Korea oorlog werd gevoerd gedurende deze tijd van verande- ringen werd de gemiddelde burger er niet door getroffen en de filosofische kijk van het land bleef zich ontwikkelen. In 1170 werd er een militaire coup op touw gezet door de Cho familie die de controle greep over het land en de Boeddhitische idealen van de burgers onderdruktede Mongolen vielen de meest noordelijke streken van het Koreaanse schiereiland binnen in 1231. Het Cho leiderschap zond het grootste deel van zijn legers om deze noordelijke veldslagen te strijden, welke al snel werden overweldigd door het enorme aantal aan Mongoolse troepen. In 1258 werd het Cho regime afgezet en de Koryo regering kwam op nieuw aan de macht onder leiding van de Mongolen. Hoewel er in deze periode wat interne strijd was in Korea, bleef de aandacht van de Koreaanse massa zich afkeren van het man-tegen-man gevecht. De gedachten van het volk waren bij de filosofie en de kunsten, niet bij politiek. Er werd neergekeken op beoefenaars van de martial arts in alle gebieden van Korea.

Koning Chung Mok (1344-48) stelde het beoefenen van Tae Kyon door burgers volledig buiten de wet. Een opstand tegen Mongoolse overheersing kwam tot uitbarsting in 1356, wat opnieuw een periode van wanorde bracht op het Koreaanse schiereiland. Na jaren van guerrilla oorlogsvoering werd de Koryo Dynastie omvergeworpen en het Yi- Dynastie (1392-1909), welke trouw zwoor aan de Ming Dynastie van China, kwam aan de macht.

 

DE YI DYNASTIE.

De Yi Dynastie verwierp Boeddhisme en omhelsde het Confucianisme als nationale religie. 

Er kwam een efficiënt Confucianistische bureaucratie tot bestaan, welke een ordelijke sociale structuur invoerde en een versnelde ontwikkeling van onderwijs. Door de hele Yi Dynastie heen nam de culturele wisselwerking tussen China, Japan en Korea toe. Martial arts ideologie werd ogenschijnlijk uitgewisseld gedurende deze tijd, maar alleen op een niveau dat slechts de buiten kant raakt. Verschillende scholen van Kung Fu uit China en karate uit Japan bestonden in Korea gedurende deze dynastie.

Hoewel beïnvloed door de Chinese en Japanse systemen, waren de technieken van Tae Kyon uniek in hun zelfbewuste benadering van zelf verdediging. Gedurende de Yidynastie was Tae Kyon het standaard man tegen man gevecht van het Koreaanse leger. Door middel van dit medium werd het doorgegeven vanuit de oudheid tot in de moderne tijd.

De Yi dynastie, beschouwd als Korease tijdperk van verlichting, eindigde in 1909 met de bezetting van het land door het Japanse leger evenals de overbrenging en vooruitgang van Tae Kyon.

KOREAANSE ONAFHANGKELIJKHEID.

Koreaanse onafhankelijkheid kwam in 1945, toen de geallieerde legers de Japanse uit Korea verdreven. Met onafhankelijk dit land heeft kunnen innemen.

Naast de indrukwekkende ontwikkeling van het Koreaanse leger kwam de stichting vanverscheidene nieuwe Koreaanse martial arts. Deze systemen werden niet alleen ontwikkeld als een middel van zelfverdedigging, maar bovendien om de totale verdediging van Korea te versterken.

Deze martial arts werden gesticht door Koreanen die ofwel gedwongen waren hun geboorte land te verlaten ofwel verdreven waren door de bezettende legers van Japan. Meteen na terugkeer in Korea, verenigden de stichters van deze systemen de stijlen van martial arts die zij respectievelijk in het  buitenland hadden bestudeerd met de technieken van Tae Kyon.

Onder deze nieuwe Koreaanse martial arts vallen:Tang Soo Do en Moo Duk Kwan, gesticht door Hwang Kee, die karate had gestudeerd terwijl hij woonde in Manchuria.

Taekwondo, wat werd gestichtdoor generaal Choi Hong Hi in 1946, die uit een militaire familie kwam, studeerde Tae-Kyon als kind, en karate terwijl hij gedwongen diende in het Japanse leger; en tenslotte ook Hapkido, dat werd gesticht door Choi-Yong-Sul in 1940. Deze drie systemen waren de overheersende Koreaanse martial arts van deze tijd.

De technieken van Tang Soo Do en Taekwondo zijn grotendeels gelijk aan elkaar, voornamelijk vertrouwend op de stoot en trap technieken van Tae Kyon en de houdingen en formaliteiten van karate. Omgekeerd, ofschoon vasthoudend aan de stoot en trap techniek van Tae Kyon, houdt Hapkido verdedigingsmethode vast aan een ander kernpunt, zoals we zullen zien in de volgende hoofdstukken.

Evolutie van Hapkido.

Choi Yong-Sul de oprichter van Hapkido, is geboren in Taegu, Korea in 1904.In 1909 kwam Korea onder bezetting van Japan. Op de leeftijd van 7 jaar, namen de Japanse Troepen Choi Yong-Sul weg uit zijn geboorteland en wezen hem toe aan werk in Japan. Het was heel gewoon voor de Japanse bezettingslegers om jonge Koreaanse kinderen te verplaatsen voor wisselende soorten arbeid.

Zo als lot het schikte, werd Choi toegewezen aan Takede Sokaku (1860-1943), de 32ste patriarch van Daito-ryu Aikijujutsu. Takede was 44 jaar toen Choi, (een zevenjarig ventje), kwam om hem te dienen en hij kreeg de Japanse naam Yoshida.

Daito-ryu Aikijujutsu;

Is een van de oudste opgetekende  vormen van Japanse Aikijujutsu. 

De Koreaanse legende maakt eraan spraak op dat Aikijujutsu werd ontwikkeld door Prins Sadazumi (884-916), (bekend als Prins Teijun in Korea), de zesde zoon van de Japanse Keizer Seiwa, na ontvangen onderwijzing in Yoo Sool van reizende Koreaanse Boeddhistisch monniken.

De documentatie van de geschiedenis van Aikijujutsu, echter, schrijft de ontwikkeling van de stijl toe aan Minamoto no Yoshimitsu (1045-1127), de derde zoon van Minamoto no Yoriyoshi (988-1075), die de vijfde-generatie afstammeling was van keizer Seiwa.

Omdat de Minamoto-clan heel hecht was, was Daito-ryu Aikijujutsu ongetwijfeld beïnvloed door veel van haar leden. Niettemin, werd Minamoto no Yoshimitsu beschouwd als de oprichter  ervan. De Minomoto familie was een van de voornaamste heersende clans van Japan gedurende de Heian Periode (794-1185) en verder voorwaarts in de geschiedenis.

In feite, stichtte Minamoto no Yoritomo (1147-99) de Kamakura Shogunate, een periode waarin de samurai-soldaten het land regeerde. Yoshikiyo (1094-1145), de oudste zoon van Minamoto no Yoshimitsu, ging weg van de centrale clan naar een streek die bekend stond als Kai. Het was daar dat hij een nieuwe lijn in het geslacht van de Minamoto clan begon, die bekendkwam te staan als gebaseerd op de Chinese lezing van de Takeda-familie, die Daito-ryu Aikijujutsu ontwikkelde in de daarop volgende jaren. Daito-ryu Aikijujutsu werd verschillende eeuwen in het geheim verbreid via de Takeda-familie tot, laat in de negentiende eeuw, Takeda Sokatku (1860-1943)  32ste in de lijn van de Takeda-familie, het systeem op nam. Hij opende een Daito-ryu Aikijujutsu school in Hokkaido, Japan, en was de eerste van de Takeda-familie die studenten onderwees die geen afstammelingen van de Japanse krijger klassen waren.De gevechtstechnieken die samen de Daito-ryu Aikijujutsu van Akeda Sokaku vormde, omvatte: houtgrepen, worpen, klemzetten, smoren, worstelgrepen, en in mindere mate, knietjes, stoten en traptechnieken.

Takeda en Choi.  

Choi Yong-Sul werd door Takeda niet behandeld als een geadopteerde zoon, zoals vele Hapkido beoefenaars wensen te geloven. Een weinig bekend en zelden onthuld feit is dat Choi werd aange- wezen tot dienst als een huisjongen en later als persoonlijke knecht voor Takeda. We moeten deze associatie in historisch perspectief plaatsen om de verhouding tussen Takeda en Choi te begrijpen. Takeda was de laatste in een reeks van samurai. De Japanners zagen zichzelf als een goddelijk ras. Voor de Japanners waren de Koreanen op zijn best, tweederangs burgers en op zijn slechtst niet meer dan pionnen in het spel van het leven.

Takeda zal Choi ongetwijfeld hebben gemogen, maar zou hem, als gevolg van zijn culturele achtergrond, niet hebben aangenomen als een zoon. Omdat Choi de persoonlijke knecht van Takeda was, was hij altijd voorhanden bij Takeda  Daito-ryu Aikijujutsu klassen. Het is niet duidelijk wanneer Choi daadwerkelijk de lichamelijk aspecten van Daito-ryu Aikijujutsu ging studeren. Niettemin ging het verhaal dat in 1935, toen een leraar van een andere martial arts school kwam om Takeda uit te dagen, hij Choi naar voren schoof om met de man te vechten. Het is vaak het geval dat een meester in een martial art zijn meest bekwame student naar voren zal schuiven om tegen de uitdager te vechten.

En wanneer de student verliest, zal de meester zelf op de mat komen. Als de man protesteerde antwoordde Takeda; Wie van mijn studenten is er langer bij mij geweest en is een bekwamer vechter dan mijn persoonlijke knecht ? Choi bevocht en versloeg de uitdager. Ueshiba Morihei,een oudere tijdgenoot van Choi Yong-Sul en stichter van Aikido, studeerde zeven jaar Daito-ryu Aikijujutsutijdens de periode dat Choi in dienst wasbij Takeda. Om deze reden trekken veel historici een vergelijking tussende tweemartial arts. Hoewel Hapkido en Aikido een gelijke oorsprong hebben en, in sommige gevallen, gelijke technieken, zijn er verschillen in hun filosofieën.

Choi bleef 30 jaar indienst bij Tadeka, tot 25 april 1943, toen Takeda stierf. Op dat punt nam hijzijn verlof van het huis van Takeda en keerde terug naar Taegu, Korea.  

 

De geboorte van Hapkido

Zoals gezegd, bleef Choi 30 jaar bij Takeda, totdat deze stierf. Aldus ontheven van zijn diensten, keerde Choi terug naar Korea. Kort daarna  werd Korea onafhankelijk en begon Choi met het oprichten van Hapkido. Aanvankelijk onderwees Choi zijn studenten een zeer pure vorm van Daito-ryu Aikijujutsu.

Met het verstrijken van de tijd en het, door andere pioniers op het gebied van Koreaanse martial arts, zoals generaal Choi Hong Hi, herontdekken en gelijktijdig uitbreiden van de aanvallende aanvallende aard van Tae Kyon, beïnvloedde hun ontdekkingen van verschilende stijlen. Langzaamaan begon Choi hun agressieve stoot en trap technieken in zijn martial art in te lijven. Hapkido ontwikkelde zich langzaam, evenals de andere martial arts, geboren in het sinds kort onafhankelijke Korea.

Zelfs hun namen ondergingen verschillende veranderingen, inclusief Yo Kwon Sul, You Sool, Ho Shin Mu Do en Bi Sool tot 1963, toen de naam en het systeem van Hapkido formeel werd gemaakt.

 

De Hiërarchie van Hapkido

De hiërarchie van Hapkido is een weerspiegeling van de bekwaamheid in het systeem van een beoefenaar. Elk niveau van trainen omvat hoger gevorderde lichamelijk technieken en begrip van de kunst kan slecht met de tijd verworven worden. 

Daarom is het eenvoudig leren van de diverse verdedigende en aanvallende technieken niet genoeg om bevorderd te worden tot een hogere rang. Er moet dus ook een dieper begrip van de filosofische aard van strijd en leven verworven worden, wil een beoefenaar naar de hogere niveau's.

Er zijn twee primaire niveaus van rang classificatie in Hapkido: de Gup of klasse houder en de Dan of graadhouder. Klasse houders zijn nieuwelingen die bezig zijn de grondbeginselen  van Hapkido te leren. Zij beginnen met het dragen van de witte band en vorderen via geel naar blauw en verder tot de rode band. Dan houders dragen de zwarte band en, alhoewel zij de basis elementen van Hapkido machtig zijn, leren zij nog steeds. Pas voorbij de 3de Dan worden beoefenaars geacht studenten te zijn in het proces zich de fijnere kneepjes van Hapkido meester te maken. Bij het bereiken van de 4de Dan mag de beoefenaar de instructeurs status dragen. Na het succesvol voltooien van de instructeurs testperiodes, welk lichamelijke, mondelinge en schriftelijke testen omvatten, is het de persoon toegestaan zijn eigen Hapkido martial school (dojang) te openen. Beoefenaars  mogen slechts onderwijzen onder de leiding ban een erkende meester instructeur tot na het bereiken van de 4de Dan en na ontvangst van het diploma van instructeur.

Bij de 5de Dan wat nog eens 5 jaar kost na het behalen van de 4de Dan, en een veelomvattende test, kan men het meesters certificaat in de kunst van Hapkido verkrijgen. Op dit niveau kan men de titel van sabumnim aan zijn naam verbinden. De 7de Dan is de eerste graad waarbij een Hapkido sabumnim persoonlijk studenten kan aanbevelen voor promotie tot de 5de Dan. Als de student succesvol de testperiode afsluit en zelf beloond wordt met de titel sabumnim, wordt zijn instructeur bevorderd naar het niveau van kwajanim, of grootmeester. De 9de Dan is de hoogste rang die een persoon kan verwerven in Hapkido. De weinige personen die dit niveau hebben behaald, hebben uitzonderlijke vasthoudendheid en toewijding aan het martial art systeem getoond, omdat het een gemiddelde van 40 jaar van training en onderwijzen vereist. Soms, na de voortijdige dood van een toegewijde Hapkido beoefenaar, wordt uit eerbetoon de 9 Dan aan hem toegekend bij zijn begrafenis. De 10de Dan is gereserveerd voor de stichter van het systeem, Choi Yong-Sul, of zijn opvolger, wat enigszins discutabel is. Na Chois dood in 1986 was er een versplintering van de oorspronkelijke studenten met hoge rang in de kunst en er hebben zich nieuwe Hapkido organisaties gevormd. Sommige van Choi's vroege Hapkido studenten bezitten nu de rang van 10de Dan.

Anderen hebben de hen toegekende 8ste en 9de Dan gehandhaafd. In beide gevallen is het eenvoudig een voorbeeld van het voorwaarts bewegen van Hapkido, nieuwe technieken en nieuw begrippen  omhelzend niet anders dan wat Choi zelf deed na zijn terugkeer naar Korea en zijn oprichting van de Hapkidokrijskunst.

Ji Han Jea.

    

Tegen het eind van de Koreaanse oorlog begon Choi een school voor zichzelf. 

Daar gaf hij onderwijs aan veel studenten.

Een van die studenten was Ji Han Jea. Ji Han Jea was één van de belangrijkste per- soonlijkheden voor de ontwikkeling van het huidige Hapkido. Deze man heeft op verschillende plaatsen onderwijs gegeven en vestigde later een school in Seoul. Hier trainde een van zijn leerlingen, de huidige president van de I.H.F. Myung Jae Nam. Ji  Han Jea is een zeer actief man geweest binnen de

ontwikkeling van het Hapkido. Tot 1984 zijn er in Korea diverse stijlen en bonden geweest waarvan er enkele nog bestaan.

De vier bekend Hapkido bonden zijn:

* International Hapkido Federation

* KoreaKido Association  

* Korea Hapkido Association

* World Hapkido Federation  

 

History cannot be changed, you can lie about it, deny it, invent things, but the truth remains.